Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hè, nee, Paatje, ik wil het nü hooren; toe, vertel u dat mooie nog eens van laatst!"

Mijnheer Rogers dacht na, en trok daarbij een heel gewichtig gezicht.

„Dat van den wolf en den vos?" vroeg hij eindelijk.

„Nee, dat niet, dat is flauw; ik wil dat andere hooren, dat van dien herdersjongen."

„Maar dat heb ik al zoo dikwijls verteld, Nanny; dat ken je zoo goed!"

„Maar ik vind het mooi; u moet het nog eens vertellen; toe, doe het maar!"

De vader fronste de wenkbrauwen, kuchte eens even, en begon dan op zijne eigenaardige, prettige manier te vertellen van den mooien, blonden herdersknaap David, die den sterken, forschen reus Goliath versloeg. Nanny was geheel en al gehoor; ieder woord nam ze in zich op en bewaarde het goed in haar geheugen. Ze had dat verhaal al zoo dikwijls gehoord; telkens vroeg ze er weer om, en wanneer haar vader even met vertellen ophield, wist ze precies wat er komen moest.

Hare oogen schitterden, toen David den steen naar het hoofd van Goliath slingerde; ze klapte verrukt in de handjes en riep: „Dat was goed, dat was echt mooi, hè, Paatje!"

Wie zoo 's avonds, na het eten, eens in de huiskamer der familie Rogers naar binnen blikte, zou zeker zeggen, dat het er daar recht gezellig, huiselijk uitzag. De niet al te groote, vriendelijk ingerichte kamer, werd zacht verlicht

Sluiten