Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Toe, Frits, laat mij nou óok eens kijken; ik wil óok zien." Ella duwde hem flink op zij.

Kaatje deed open, en vloog op het rijtuig af om taschje en pakjes aan te nemen.

Nicht Bertha, eene groote, forsche gestalte, in langen bontmantel gehuld en een grooten hoed met wapperende veeren op het hoofd, trad het huis binnen, zonder omhoog te hebben gezien naar de nieuwsgierige kindergezichtjes voor het bovenraam. Kaatje volgde met de bagage.

„Hè, hè!" zuchtte Ella, „ze is binnen!"

„Ze leek in dien mantel precies op een bruinen beer uit de diergaarde," schaterlachte Frits.

„Nou, 't was toch wel een héél mooie," klonk nu Nanny's fijn stemmetje; „ik verlang er erg naar, om haar verder te zien!"

„Ja," zei Ella, „ik hoop nu maar dat maatje ons gauw binnenroept; van wachten houd ik niet."

„Dat zul je toch wel moeten, juffertje-ongeduld," sprak Kaatje,- die inmiddels was binnengekomen met een nog rood gezicht van de ongewone emotie; „jullie moet maar weer kalm gaan spelen, want het zal nog wel een poosje duren. Ik ga naar beneden, want ik moet nog het een en ander voor het eten in orde maken. Nicht Bertha zal een paar dagen blijven."

„Blijft ze logeeren?" riep Frits opgetogen, „dat is leuk!"

Vlug liep hij Kaatje, die al op weg naar beneden was, achterna, haalde haar halverwegen de trap in en strekte zijn stevige armen voor haar uit, zoodat ze niet verder kon.

Sluiten