Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was Frits op de speelkamer teruggekomen bij de meisjes, die bezig waren met het nakijken van poppenkleeren.

„Bah! die poppenrommel van jullie!" zuchtte Frits, en gingmet een voornaam gezicht, den rug naar haar toegedraaid, met de vingers op de vensterruit staan trommelen.

Wat zou Nicht Bertha voor me meegebracht hebben? peinsde hij; het liefst had ik wel een bouwdoos, of een geweer, of zoo iets. Mijn bouwdoos is niet mooi meer; er zijn zooveel blokken van weg. Ik zou een kasteel willen bouwen, met een grooten paardenstal er naast.

„Wat duurt dat toch lang!" riep hij, zich plotseling omdraaiend, ongeduldig uit; „ik ga eens luisteren, of ze nou nog niet samen uitgepraat zijn!" Hij liep naar de tusschendeur en wou er zijn oor tegen aanleggen, maar Ella was hem voor.

„Foei, Frits, dat mag je niet doen!" riep ze verontwaardigd uit, terwijl ze hem haar vingertje bestraffend voor hield; „het zou moesje verdriet doen als zij dat merkte!" Ook Nanny stond met verbaasde, verwonderde oogjes toe te zien.

Frits was niet gewoon zijn jonger zusje te gehoorzamen; maar nu zag hij toch ook in, dat afluisteren leelijk was, en hij liet zich ongeduldig op een stoel neervallen. „Jullie zijn ook zoo saai vanmiddag; laat dien poppenrommel toch zitten!" bromde hij.

„Ja, maar het is heusch noodig, dat Baby's kleertjes eens nagezien worden, want ze heeft waarlijk niets heel meer aan 't lijf," sprak Nanny gewichtig.

Sluiten