Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nanny dacht even na, toen zei ze met een gewichtig gezichtje: „Ik zou allereerst zoo'n dikken, bonten mantel en een mof voor Anna koopen; mama heeft die, maar Anna loopt altijd met haar handen onder haar schort, en die zien soms zoo rood en zoo paars als het koud is. Ik heb haar al eens gevraagd of ze geen mof zou willen hebben; maar ze zegt dat ze met zoo'n ding niet over weg zou kunnen; en toen ik er moesje over sprak, zei die dat zoo'n mantel en mof erg duur voor Anna zijn. Maar ik geloof toch, dat, als ze er een had, ze er erg blij mee zou zijn.

En dan," ging ze met vuur voort, „dan zou ik nieuwe, zondagsche jurken koopen voor de kinderen van Leentje, de schoonmaakster. Ze vertelde me laatst dat die arme stumperds al tweemaal een kop koffie en een kom met vet over haar mooie jurken gegooid hebben, zoodat die nu heelemaal bedorven zijn, en ze tot straf vooreerst geen nieuwe krijgen. En het moet toch naar zijn, hè, niet eens een zondagsche jurk te hebben! En dan zou ik . . ."

Hier werd het gesprek afgebroken doordat de tusschendeur openging en Nicht Bertha binnenkwam. Zij was eene statige, deftige dame van om de veertig jaar, met een mooi, maar zeer trotsch gezicht; hare houding en de uitdrukking der geheele persoonlijkheid lieten duidelijk lezen: „Zie mij aan: ik ben de rijke, alom geachte juffrouw Holderma, de mooie dochter van den met aardsche goederen over-gezegenden Jacobus Holderma, die een der mooiste villa's in de Avenue Louise te Brussel bewoont." Doch toen zij op de kinderen toetrad, lag er een goed-

Sluiten