Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bertha betaalde, iets voor 't arme kind uitkiezen. Ze koos een dik besuikerd krentenbroodje. Stralend stapte ze er mee toe op 't kleutertje, dat nog een hoofd kleiner was dan zij.

In die begeerige, flets-blauwe oogen van het straatkind kwam een flauwe flikkering; gretig trok het het broodje uit Nanny's handje en hapte er gulzig in.

Nanny zag het verbaasd aan; zij had zich voorgesteld vriendelijk het broodje aan het kind te geven, en nu werd het haar zoo opeens, zonder dat ze nog een woord had kunnen zeggen, afgepakt.

„Hoe heet je; vind-je 't lekker?" vroeg ze; maar het kind gaf geen antwoord.

In een paar happen had het 't broodje naar binnen gewerkt; toen zag het weer onverschillig voor zich.

„Hè, wat een smerig bedelkind!" zei Nicht Bertha, die nu ook met Ella buiten gekomen was, geërgerd; „wat een vuil kind!"

Ook Ella trok haar klein neusje op. Doch Nanny scheen niet afgeschrikt; integendeel, ze stak haar handje uit en drukte hartelijk 't koude, magere knuistje van het kind, terwijl ze nog eens met haar medelijdend, lief stemmetje vroeg: „Was 't lekker; had-je zoo'n honger?"

Verschrikt trok Nicht Bertha haar weg en zei angstig: „Je moet nooit zoo dicht bij zoo'n kind komen, Nanny! en het vooral geen hand geven; zoo'n vies bedelkind kan van alles bij zich hebben; als je thuis komt dadelijk goed je handjes wasschen, hoor, want men kan nooit weten ..."

Neen, men kan nooit weten! Men kan nooit weten,

Sluiten