Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

even, heel kort, want plotseling voelde het kind een ruwen stoot in den rug en een barsche mannenstem bromde: „Maak dat je weg komt, kind; je staat hier een ieder in den weg!"

Toen was de juist-opgewekte gewaarwording weer geheel verdwenen; de onaangename, stugge uitdrukking lag weer in de fletse oogen en, schichtig vooruitschuivend, het handje tot iederen voorbijganger smeekend opgeheven, ging het verder door de steeds drukker en kouder wordende straten, totdat het donker was en het rust zocht in een armelijk slopje, in een donkere, vuile achterbuurt, waar het thuis hoorde. En meestal werd het met een pak slaag ontvangen door moeder, die zoo vaak dronken was, en de luie broers, die slechts leefden van stelen.

Moe, en menigmaal zonder eten, viel het arme kind dan eindelijk in slaap, op een oude deken of zak, in een hoek van het kamertje, en den volgenden morgen vroeg werd het weer wakker geschud en de straat opgestuurd om centen op te halen in de rijke winkelbuurten.

Zoo was het leven van het bedelkind, dat in Nanny's warmkloppend hartje zoo'n grooten indruk en zooveel medelijden gewekt had. Want terwijl Ella onder het naar huis gaan druk babbelde over alles wat ze zag en opmerkte, dacht Nanny altijd-door maar aan dat andere, dat arme meisje, waarmee ze zoo graag eens zou hebben gepraat, en stil liep ze voor zich uit te staren, een klein droomstertje, niet wetend waar ze ging, geleidelijk voortgetrokken door Nicht Bertha's hand.

„Kom, kleine Nans, wat ben je stil geworden; zeker wat moe, hè? Nu, we zijn er gauw!" zei goedig Nicht Bertha, bij

Nanny. 5

Sluiten