Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen zijn groote handen, haalde om de twee minuten zijn groot nikkelen horloge uit zijn zak en trok dan zijn scheeven mond nog wat scheever, want als de familie kwam zou hij toch, evenals de schoolmeester, een kleine toespraak moeten houden en dat ging den goeden man niet al te best af, daar zag hij leelijk tegen op. Langzamerhand vulde zich het stationnetje met groote en kleine Dooriers: het gewichtig oogenblik naderde.

„Ik hoor 'm al fluiten!" riep Kobus, de ondertuinknecht.

„Wel nee, jong, 't is de sneltrein; die moet eerst voorbij!" schreeuwde, van den overkant, lange Leendert. In volle vaart stoomde de sneltrein voorbij en was spoedig uit 't gezicht verdwenen. „Hè, hè, wat maakt dat ding toch een lawaai; je zoudt er draaierig van worden!" zuchtte de in zwartzijden japon, — eens haar bruidskleed, — uitgedoste schoolmeestersvrouw, en streek zich met de gehandschoende hand langs voorhoofd en oogen.

„Over vier minuten zal hij er zijn!" zeide haar man, terwijl hij zenuwachtig, zich beklemd voelend in de ouderwetsche zwarte jas, — die hem lang niet wijd meer was, — in de wachtkamer heen en weer stapte en in .zichzelf nog eens voor 't laatst zijn speech repeteerde.

Daar kwam langzaam de trein aangereden; kort en schril floot de locomotief en stond stil.

Mijnheer Rogers en mevrouw stapten uit, Nanny werd uit de coupé getild, en Anna volgde, beladen met tasschen en pakjes, in 't dragen bijgestaan door Kobus, die haar vlug ter hulp was gesneld. Vroolijk klonk het „hoera!"

Sluiten