Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leed gebracht had, en haar nu eindelijk, hier, op de eenzame hei, had leeren berusten in haar lot.

Toen Mevrouw Rogers pas in Doorle woonde, had zij haar eei^s opgezocht, en was verwonderd over de netheid van haar hut. Het was geen boerenhut, o neen, alles stond er netjes gerangschikt, en de weinige meubelen: een kast, ledikant en een paar tafeltjes en stoelen, waren zóó groot en zwaar, dat zij nauwelijks pasten in een hut en beter uit zouden komen in een der groote kamers van Huize „Rust," waar zij, wegens hun fraaie vormen en gebeeldhouwde pooten, een eereplaats onder alle overige meubelen zouden innemen.

Mevrouw had haar gevraagd, waar zij vroeger woonde, doch ontwijkend had het vrouwtje geantwoord: „Vroeger elders, ergens in de stad; nu al meer dan vijftien jaar hier!" En toen mevrouw boven het ledikant, onder een groot kruis van wit ivoor, een klein, verweerd kinderportret hangen zag naast dat van een man met lang, ernstig gezicht, en vroeg of dat soms man en kind geweest waren, had Vrouw Panne met tranen in de oogen zoo iets van „dood, lang dood" gemurmeld en zich haastig van haar afgewend. En Mevrouw Rogers begreep toen dat het vrouwtje eene geschiedenis achter zich had, waarmee zij voor goed had afgerekend, maar die, hoewel voor de wereld dood, toch steeds nog leefde in dat arme, oude hart. En zij vroeg niet meer.

Maar zij wist toen ook, dat het een goed, vertrouwbaar vrouwtje was, waar de kinderen gerust pannekoeken konden gaan eten.

Sluiten