Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JNanny hield het meest van blinde Neeltje, Vrouw Wes' zuster, en van Dineke Wes.

Neeltje was een nog jong meisje, pas even in de twintig, lang en mager, met bleek, lijdend gezicht. Sinds den dood harer moeder, nu twee jaar geleden, woonde zij in bij hare zuster, die, ondanks haar groot huishouden, niet gewild had dat Neeltje naar een blindeninrichting gaan zou en zich dadelijk over het blinde, hulpelooze zusje ontfermd had. En Neeltje had het goed; de kinderen waren lief voor haar, en stil en tevreden zat zij altijd bij goed weer op de bank voor het huisje, en bij slecht weer binnen, en was dankbaar voor eiken kleinen dienst, welken men haar bewees; dankbaar, wanneer de voorbijgangers een praatje met haar maakten, en overgelukkig, wanneer men een eindje met haar wandelen wilde. Anna had haar eens op een Zondagmorgen naar de kerk gevoerd, want Baas Wes, die door de week den geheelen dag aan het turfgraven was, bleef 's Zondagsochtends liever rustig thuis; Vrouw Wes kon nooit van Dineke en van het kleintje weg, en daar het niet gemakkelijk was, iemand te vinden, die Neeltje dien langen weg leiden wilde, bleef ook zij meestal thuis. Die keer met Anna was de eerste geweest, sinds moeders dood, dat zij in de kerk kwam. Wonderlijk tevreden en gelukkig had zij er zich gevoeld, en nog vele dagen daarna dacht zij aan al het mooie, dat zij er gehoord had. Dikwijls was het haar, als hoorde zij het orgel nog ruischen, en onwillekeurig opende ze dan de bleeke, fijne lippen, en zong zacht voor zich heen de

Sluiten