Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beginregels van het Gezangvers, dat zij toen gezongen had en uit het hoofd kende:

Heilig, heerlijk Opperwezen,

Die het groot heelal gebiedt!

Alles moog verdonk'ring vreezen,

Maar dat vreest Uw luister niet.

Zitten wij in treurig duister,

Nog behoudt dat eeuwig licht Al zijn glans en al zijn luister,

Waardig aller lof en dicht.

En dan dacht zij aan vroeger; aan vroeger, toen zij -er door moeder werd heengeleid! Anna had beloofd haar nog eens te komen halen, en blinde Neeltje verheugde zich.

Wanneer Anna praatte met Vrouw Wes en Neeltje, en Ella en Frits speelden met Arend, Dirk, Maartje en Doortje Wes, dan sloop Nanny dikwijls even naar binnen, waar Dineke Wes, vastgebonden op'een stoel, voor het raam zat. Want het kind mocht nooit alleen in het kamertje rondloopen; daar was de moeder te bang voor. Eens toch was het bijna verbrand, het had te dicht langs het fornuisje geloopen, de kleertjes hadden vlam gevat, en de moeder was er nog net bijtijds bij geweest. Sinds dien was het steeds vastgebonden aan den stoel.

Bij heel mooi weer mocht Dineke wel buiten komen, doch dikwijls gebeurde dat niet, want het tochtte en woei veel voor het huisje, en het kind vatte kou bij het geringste koeltje.

Het was een mager, klein meisje, dat men eerder twee dan vijf jaar geven zou. Ze was altijd aan het frutselen met plaatjes, blokjes en speelgoed, afkomstig van Nanny,

Sluiten