Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar Nanny luisterde er niet naar. Ze luisterde naar alles om haar heen, naar alles wat daar omging in die kleine, mooie wereld waarin zij zoo thuis was en die „dennenboschje" heette.

En dan kwam het plotseling weer in haar op: „het kindje van Vrouw Wes niet gedoopt en daardoor geen engeltje geworden"; en zij dacht: „Wat gek toch, dat de menschen in het dorp zich daar zoo ongerust over maken; misschien vergissen zij zich toch wel en is ze nu al hier hóóg boven in dien blauwen Hemel, dien moedertje zegt dat men met de hoogste ladder nog niet bereiken kan. Vreemd toch, vandaag lijkt hij me juist weer zoo erg dichtbij, zoo om dadelijk in te zijn!"

Het muschje naast haar tjilpte luid, als wilde het zeggen: „Ja, het gaat soms wonderlijk toe in die wereld der menschen; wij, vogels, worden niet gedoopt, maar wij kunnen vliegen, hoog vliegen, vliegen tot aan dien blauwen hemelrand, en ver, ver daarover heen, en dat kunnen de menschen niet. Neen, dat kunnen zij niet. Wij zingen en vliegen en in hooge, groene boomtakken rusten we en bouwen we ons nest. Ja, wij, vogels, door de menschen zoo klein en nietig gevonden, wij vliegen vrij en zorgeloos waarheen wij willen, en wanneer wij hoog in de lucht zijn, dan lijken de menschen ons zoo klein en dan zijn wij blij dat wij lichte, zingende vogels en geen langzaam voortkruipende, altijd naar iets zoekende menschen zijn!"

En vroolijk klapte het zijn wiekjes op en neer om te toonen hoe blij het daarover was.

Sluiten