Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

besteld en zal wat wijn, soep en vruchten voor het arme oudje meenemen."

Nanny vond het een goed plan; zij had ook in langen tijd het hutje niet bezocht.

Om twee uur reden ze er heen.

Het was een mooie middag, 's Morgens had het geregend, maar nu was de zon doorgekomen en bescheen alles zoo lachend, zoo blij. De hei stond in vollen bloei; op de fijne, rose bloempjes en op de dennetakken glommen hier en daar regendroppels, tranen, die de zon nog niet had weggekust.

Nanny en haar moeder genoten van haar ritje.

Zij naderden de hut, maar de kleine gestalte met den wuivenden arm was niet, als gewoonlijk, reeds van verre te zien. En toen zij er vlak voor waren, was er nóg geen Vrouw Panne, die op het geluid van het ratelend wagentje naar buiten kwam geloopen.

Waar zou ze zijn?

„Ze zal uit zijn, misschien naar het dorp!" zei Nanny.

„H'm, ze gaat weinig meer uit; ze kan niet zoo ver loopen!" riep Manus; „ze zal achter zijn bij d'r kippen."

Ze stapten uit.

En werkelijk, daar kwam ze van den zijkant aangestrompeld; maar het was niet meer Vrouw Panne, de altijd zoo blijde Vrouw Panne, wier oude oogen zoo opflikkeren konden wanneer Nanny kwam. Ze zag heel oud nu en reikte de bezoeksters zwijgend haar bevende, zwakke hand.

Sluiten