Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar Vrouw Panne! goed oudje, wat scheelt er aan? ' riep mevrouw verschrikt. Het vrouwtje schudde het oude hoofd droevig en wees naar achteren en wenkte mevrouw en Nanny om haar te volgen daarheen.

En achter gekomen, zagen ze Pollo's mand staan; Polio lag er in, maar hij was dood. „Arme hond; wat een gemis zal het voor je zijn, Vrouw Panne! zei Nanny zacht. „Hoe is het gebeurd?" vroeg mevrouw.

„Ik vond hem vanmorgen zoo in z'n mand, gestorven van ouderdom," lispelde het vrouwtje, en zij knielde op de oude, stramme knieën neer bij het doode dier en aaide den zwarten kop, de mooie, lange ooren, terwijl ze weeklaagde: „Zie, nu is ook hij me ontvallen, nu heb ik niets meer over; hij was mij altijd zoo trouw, trouwer dan de menschen mij waren!"

Even een kleine, drukkende stilte, toen vervolgde ze: „Maar mijn goede Polio, mijn arme hond, de vrouw zal jou gauw volgen; het wordt nu tijd voor haar ook, Polio!"

Mevrouw Rogers greep haar zacht bij den arm en richtte haar op, terwijl ze zei: „Kom, Vrouw Panne, het is niet goed voor je om zoo lang hier te liggen; ga met ons meê naar binnen, dan praten we wat; en Manus kan Polio voor je begraven, hier dicht in de nabijheid van je hut, onder gindschen denneboom. Dat vindt ge goed, nietwaar?"

Het vrouwtje knikte, en na een laatste liefkoozing, een laatsten blik naar hem, liet zij zich gewillig tusschen

Sluiten