Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik was toen negentien jaar oud, maar met allen ernst deed ik de belofte, en ook hij deed ze vol liefde en vastberadenheid.

Kort na ons huwelijk stierf mijn vader, en mijn moeder volgde hem weldra. Men sprak er van, dat het gelukkig was, dat zij mij nog zoo goed getrouwd hadden gezien. Ja, dat was gelukkig; . . och, het was nóg gelukkiger, dat zij niet veel langer hebben geleefd."

Een kleine stilte; even moest het vrouwtje opnieuw adem verzamelen; toen vervolgde zij: „Wij waren erg gelukkig; we bewoonden een mooi, groot huis; gingen veel uit, gaven schitterende partijen, hadden equipage en maakten verre, interessante reizen. Mijn man had geen betrekking, hij leefde voor zijn liefhebberij in schilderijen, sport, enz. Hij stelde in alles belang, was, evenals ik, in rijkdom opgevoed en wilde altijd alles van het beste hebben. Onze salons waren prachtig; steeds bracht hij er nieuwere, mooiere meubelen, schilderijen en pronkstukken bij; alles wat nieuw was, dat moesten wij hebben, en wanneer ik hem soms vroeg, of wij niet wat al te groot leefden, dan antwoordde hij lachend, dat ik dat maar aan hem overlaten moest; wij konden het immers doen! En ik was gerustgesteld door zijn vertrouwden lach. Onze feesten waren wegens hun schitterende weelde bekend; aan vrienden en gasten ontbrak het dan ook nooit; telkens werden wij met nieuwe ingezetenen, die onzen omgang wenschten, in kennis gebracht.

Na vijf jaren werd ons eene kleine Francine geboren.

Sluiten