Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn man werd ernstiger en somberder, hij ging er moe en zwak uitzien, en wanneer hij 's avonds van kantoor thuis kwam, zat hij soms langen tijd met dof, duister oog voor zich uit te staren, zonder te antwoorden op mijn vragen of op Francine's liefkoozingen. Dit werd langzamerhand «rger en ik maakte mij ongerust; maar hij zeide dat het niets was, zakenzorgen alleen; over een poosje zou alles wel weer goed worden.

En toen, na een paar jaar, kwam de dag, de dag dien ik nooit vergeten zal, die mij op eenmaal grijze haren bracht!

Als gewoonlijk was hij 's morgens vroeg naar kantoor gegaan, dien dag zelfs opgewekter dan anders. Kleine Francine was nog even op zijn knie gesprongen om een kus en samen deden wij, gelijk iederen morgen, papa uitgeleide tot aan de voordeur, en lang wuifden wij hem na. Maar op het gewone koffieuur kwam hij niet thuis; wel kwam er 's middags een vreemde heer om mij te spreken, die kwam zeggen, — o, — zeggen dat hij was gevangen genomen; — valsche handteekeningen. Woetbel, — ge kent dien naam natuurlijk, wie kent hem niet? — Woetbel was mijn man."

Het oude hoofd zonk op de borst, de oude hand viel slap neer, als na een hevige krachtsinspanning. Want dat was het geweest, kracht had het haar gekost om uit te spreken dien naam, ook haar naam. Verschrikt zag Mevrouw Rogers haar aan. Ja, zij kende dien naam. Zij wist van dat vreeselijk geval, van die groote opschudding in heel het land, toen de bank van Woetbel fout was.

Sluiten