Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ze deed kraken en rammelen en schudden heen en weer, dan voelde ik me eerst recht eene kluizenaarster, afgezonderd, onbereikbaar voor de menschenwereld. En in het gieren en bulderen van den storm mengden zich de zwakke klaagtonen van mijn leed, en de storm nam ze op en droeg ze met zich, ver, over de verre vlakte! En wanneer 's zomers de hei in bloei stond en de zon zoo helder scheen, dan was ik dankbaar, en als de kinderen mij dan kwamen opzoeken, voelde ik weer iets van vreugde, van die blijde, warm-makende vreugde, die ik in mijn zwerversjaren nooit smaken mocht.

Wanneer het mij soms te eenzaam werd in mijn hut, dan ging ik met Polio naar Doorle, kocht daar het een en ander voor mijn onderhoud, want ik bezit nog een overgespaard sommetje van mijn werken, en sprak dan wat met de menschen daar, met die eenvoudige, goede boerenmenschen, die vriendelijk voor mij waren, die niets wisten van mijn verleden en mij hielden voor hun gelijke,

ja zelfs minder dan dat.

En dat ben ik dan ook geworden, minder dan zij. een heiheksje, levend gelijk de planten en bloemen, die 's morgens wakker worden als de zon ze wekt, en slapen gaan wanneer de zon ondergaat, die kalm, rechtopstaand, op hun stengel worden heen en weer gewiegd door den wind, gedrenkt door de regenbuien, en dan weer gedroogd door een zonnestraal, en zoo langzaam uitbloeien en dor worden, als niet een storm komt, die ze neerknakt, een hand, die ze afbreekt, of een voet, die ze vertrapt..."

Sluiten