Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waarom hielp Mijnheer pastoor dan ook niet eens wat? En waarom besteedde hij niet wat van zijn tijd aan bezoek, om de menschen, waarvoor hij predikte, wat beter te leeren kennen; zooals de dominee dat deed? Waarlijk, dan zou hij meer en beter priester zijn. Daar kwam Coba, des pastoors zuster, naar buiten geloopen, in blauw-katoenen jak, met groot, bont schort voor en opgestroopte mouwen. Op het gras wierp ze haastig een bak met broodkruimels en rijstekorrels leeg voor de vogels, en repte zich toen weer naar binnen. Die Coba was een goed mensch. Toen Nanny laatst eens met Frits voorbijging en ze Coba druk aan het schuieren zagen, had hij gezegd: „Die kan ook d'r pleizier wel op!" En dat geloofde Nanny ook. Het was alom bekend in het dorp, dat die Coba van den pastoor geen prettig leven had. Van den vroegen morgen tot den laten avond werkte zij voor hem. Zij hield het vrij groote huis schoon, verzorgde de planten, den tuin, verstelde broers kleeren en maakte het eten klaar. Het laatste behoorde tot haar moeilijkste bezigheden; dat moest altijd precies op tijd en telkens variëerend zijn, want Mijnheer pastoor hield van smakelijk eten.

Coba sprak zelden iemand uit het dorp; door het eentonig leven was zij gaandeweg een beetje menschenschuw geworden, maar de enkele vrouwen, die haar uit medelijden of nieuwsgierigheid bij het uitgaan der kerk wel eens aanspraken en naar huis brachten, vertelden dat zij wel gemerkt hadden, dat Coba het den pastoor

Sluiten