Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ben je altijd blind geweest, Neeltje; heb-je nooit

kunnen zien?"

„Van mijn zesde jaar af ben ik blind, juffer!"

„En herinner je je niets meer van die eerste zes jaren -r

zeker niet, hè?"

„Neen, niet veel meer, en dan nog slechts vaag; zoo, als was 't van een ander leven, ver, ver weg. Alleen zie ik nog altijd voor me een grooten hond, die me bang maakte en die me nu 's nachts, in benauwde droomen,. soms nog bang maakt; en ook herinner ik me een lief gezicht met helder-blauwe oogen, en licht blond, uit witkanten muts naar voren springend haar; dat is moeders gezicht, juffer! En dat is 't eenige, dat ik nooit vergeet, omdat het 't mooiste is, wat ik heb kunnen zien in de lichtwereld, voordat 't voor altijd donker om mij henen werd."

„Is je moeder al lang dood, Neeltje?"

„Ja, al heel lang; de goede vrouw heeft vele jaren met mij getobd; ik was altijd bij haar en heb haar veel zorg gegeven, en toch heeft ze mij dikwijls ingefluisterd dat ik haar liefste kindeke was. En weet u, juffer, 't is vreemd, maar als ik muziek hoor, dan moet ik altijd aan haar denken. Ik verlang soms zóó naar moeder, juffer! Ziet u, m'n zuster durf ik niet te dikwijls over haar spreken, want dan zou die denken dat ik t nu niet goed had en terugverlangde naar 't leven van vroeger, en ik heb 't heusch best; maar ik verlang soms toch zóó om te zitten op moeders schoot, te voelen moeders armen

Sluiten