Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om me heen en m n wang te drukken tegen haar goed, lief gezicht. En om dan te hooren die blijde stem!

Nu zijn er geen moederarmen meer, die zich om me heen slaan wanneer 'k verdrietig ben; nu is er geen moeke meer, die me haar liefste kindeke noemt en me vertelt van den lieven Heer, die ons eens allen vroeg of laat tot Zich roepen en vereenigen zal in Zijn Vaderhuis! Och, juffer, zou dat waar zijn? Zou God ons waarlijk oproepen? Sinds moeder dood is, denk ik daarover iederen dag, en als 't waar is, juffer, dan hoop ik maar dat Hij mij spoedig tot Zich neemt en me weer bij moeder brengt. Want, ziet u, ik heb 't heel goed bij m'n zuster, en ze zijn lief voor mij, maar ze heeft een groot huishouden, en ik ben haar toch wel een last, ik, die niets helpen kan."

Hier werd het gesprek afgebroken door een kloppen op de deur, waarna dikke Anna, nieuwsgierig, wat de juffrouw daar toch zoo lang met Neeltje uitvoerde, binnenschommelde, vragend of zij wat uit de kast halen mocht. Natuurlijk moest zij tegelijk een praatje maken met Neeltje, en hooren wat er al zoo was voorgevallen in het gezin Wes, sinds zij er het laatst was geweest.

Nanny zag op de klok.

Het was bij zessen.

Zij trok de jaloezieën op en wierp de ramen open; het was nu lekker koel buiten, de frissche naar binnen stroomende lucht deed haar, van het piano-spelen verhit gezichtje, goed. Zij verlangde naar buiten.

„Neeltje, zou het nu geen tijd worden dat we weer

Sluiten