Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eens teruggingen; je zuster zal anders niet weten waar

je blijft!" zei ze.

Neeltje vond óok dat het haar tijd werd. Anna hielp haar den hoed opzetten en toen ging ze, aan Nanny's arm, het huis uit en den heuvel weer af.

„Wil ik haar soms naar huis brengen?" fluisterde Anna Nanny in 't oor.

Maar Nanny verheugde zich op een wandeling en veel te graag bracht zij zelf die arme blinde naar huis.

Anna keek het tweetal na.

„Het juffertje is toch wel goed en lief, om zoo'n heelen middag met die blinde stumperd bezig te zijn!" mompelde ze als tot zichzelf.

Onderweg sprak Neeltje niet veel meer; want hoewel ze geleid werd, spande het loopen haar, die niet zien kon, toch erg in; ze leunde zoo zwaar op Nanny's tengeren arm, en Nanny was blij, toen ze het huisje van Wes eindelijk bereikt hadden.

Daar was het, zooals gewoonlijk, druk en rumoerig.

Bedrijvig was Vrouw Wes in de weer; een paar van de kinderen speelden met buurtjes op den weg, terwijl het jongste nog in den wagen lag te slapen. Dineke, op de bank gezeten, begon op langzamen zeurtoon een uitvoerig verhaal aan Nanny te vertellen, terwijl de grappige tweelingen, Mieke en Jannetje, in witte nachtponnetjes, naar buiten kwamen geloopen om haar goedendag te zeggen. Haastig haalde Maartje, het oudste zusje, ze weer binnen, en toen moest Nanny ook meê naar het slaapkamertje

Sluiten