Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar sloeg de klok langzaam acht lange, dreunende slagen. Haar zilveren klanken galmden en golfden door de lucht, en klonken omhoog als innige dank- en loftonen van een ernstig, geloovend menschenhart.

De zon was ondergegaan, maar het purper bleef nog nagloeien en kleurde zoo teer de zachte schemeriucht.

Zacht ruischten de dennen.

De menschen waren verdwenen in het kleine kerkje, en leeg en eenzaam was weer de weg.

Het was als breidde een vol, mooi, wonderzachtstemmend geloof zich uit over het land; zoo rustig, zoo vredig, zoo heerlijk-schoon was alles rondom.

O, zou het toch waar zijn, dat blinde Neeltje eens haar moeder weervinden zal? dacht Nanny.

En zij zakte dieper in de bank, kruiste de armen achter het hoofd en, terwijl het schemerde meer en meer, bleef zij langen tijd zoo zitten, onbewegelijk, al overpeinzend wat het toch zijn zou, dat eeuwig-geheimvolle, dat oneindigschoone wonderding, dat leven heet.

Sluiten