Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O, zij had veel afleiding in Brussel, genoot en zag veel; maar toch, die koude, vervelende gesprekken, die flauwe grappen en toespelingen op de muziek, die haar zoo lief was, die spottende opmerkingen van Nicht Bertha over geloof en ideaal, waarvoor zij niets meer scheen te voelen, maar die in Nanny's jong hart zoo innig, zoo groot leefden en bezig hielden haar door de muziek zoo ontvankelijk geworden ziel, die deden Nanny zoo pijn. En Nicht Bertha kon niet velen om te worden tegengesproken; wat zij zeide was waar, moest worden aangenomen, en wanneer zij aan 't afbreken ging van innige, fijne dingen, dan zweeg Nanny maar, wetend, dat als Nicht Bertha zoo stijf op haar stuk stond, het toch maar een vermoeiende, nuttelooze strijd werd, iets tegen haar in te brengen, want zij wist zóó te overreden, dat jonge Nanny het onderspit delven moest.

Nicht Bertha kon niet meer gelooven. Als kind was het haar nooit geleerd: niet door haar vroeg-gestorven moeder, niet door den geleerden vader, die er zich nooit meê opgehouden had, niet door haar gouvernante en niet door de familieleden. Op de kostschool had zij het leeren kennen, toen pas had zij er van gehoord wat het was en beteekende dat kleine woord „geloof." Daar had zij 's morgens en 's avonds uit den Bijbel hooren lezen, en met vele anderen te zamen gebeden, en iederen Zondag waren zij naar de kerk gegaan, en dat alles had indruk gemaakt op haar jong gemoed. Met verscheidene kostschoolvriendinnen te zamen had zij haar belijdenis

Sluiten