Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedaan en met een hart vol kinderlijk geloof was zij van kostschool af en het leven ingegaan.

Maar de overgang van de stil-kalme kostschoolwereld naar dat groote, drukke leven was te kras, te overweldigend kras geweest, en daar er immers niemand was die het verzorgde of verpleegde, was het spoedig verwaarloosd en verstorven, dat heel kleine zaadje van kinderlijk geloof. Het mooiste wat Bertha bezat was gestikt in haar weeldeleven, want zij had het op zij gezet, beschouwd als bijzaak, en het zoodoende geheel verloren.

En nu kon zij er soms zoo ruw over spreken en het zoo veroordeelen, alsof er nooit iets van geleefd had in haar hart.

Eens beweerde zij dat jonge meisjes wel gelooven en naar de kerk konden gaan, maar dat oudere, die verstandig waren, dat niet meer deden; dat zag men altijd zoo. En daarbij zag zij uit de hoogte neer op Nanny's verlegen, verwonderd gezichtje, als wilde zij zeggen: „Daar weet jij niets van, jij bent daar nog te jong voor; maar ik, groote, levenswijze vrouw, ik weet het!" En Nanny, wetend dat tegenspreken niet hielp, sprak er los over heen, maar dacht tegelijk aan vader en moeder, die toch wel naar de kerk gingen , en aan zoovelen, die zij er dikwijls had zien zitten: ouden, met volle aandacht naar den preekstoel opgeheven hoofd en luisterend met een horentje aan het oor, dat reeds doof werd.

Zouden die dan allemaal dom zijn? Vader en moeder ook?

Sluiten