Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En het was Nanny, als kwam er een gevoel van verlichting over haar, nu ze weer veilig in den trein zat. En terwijl ze makkelijk wegkroop in een hoekje der geheel leege coupé en tuurde naar de torens en huizendaken der groote, mooie pleizierstad, die al verder en verder af schenen en vaag wegschemerden in de verte, dacht zij aan Doorle, aan vader en moeder, aan den tuin en het dennenboschje, aan alles wat haar zoo lief was daar en dat ze weldra weerzien zou.

De reis ging spoedig voorbij. Zij had een boek bij zich en veel lekkers van Nicht Bertha om den tijd te korten, maar ze las noch at. Het vermaakte haar om al maar door het raampje naar buiten te turen, naar de weilanden, afgewisseld door stadjes en dorpjes en boschrijke streken, waar de trein voorbij snorde.

Aan de grens moest ze overstappen in een boemeltrein, die Doorle aandeed. En blij jubelde het op in haar, toen ze de ros-bruine, wijde hei weer zag en ze steeds meer naderde; ze telde de stationnetjes en halteplaatsjes op de vingers na; nu nog maar drie, nu nog maar twee, nu nog één en het dan volgende is het: zoo klonk en juichte het in haar. Van verre zag zij het blinkende torentje al, het huis op den heuvel, o, ze naderde meer en meer haar Doorle, haar rustig-mooie Doorle, waar zij weer zichzelf zou kunnen zijn!

Achter haar lag nu die wereld van drukte, vormen en vertoon; van onware, gedresseerde of opgeschroefde menschen, waarin men altijd maar voort moest, rennen

Nanky.

Sluiten