Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dien Oudejaarsavond zouden ze nog eens prettig vieren onder elkaar. Eerst gingen ze naar het kerkje. Nanny was er nog niet bij avond geweest en zij vond het vriendelijker, behagelijker en warmer dan 's morgens, met die brandende lampen, die een zacht-rustigen glans wierpen over de menschen, flets verlichtend de stroef vertrokken gezichten.

Het was nog niet vol, toen de bewoners van Huize „Rust binnenkwamen, maar langzamerhand kwamen de menschen, gezin voor gezin, soms een paar tegelijk. Vriendelijk goedendag knikkend schoven ze op hunne plaatsen en menig woordje werd er gefluisterd over de juffer van 't Huis en den jongen mijnheer, die daar weer zaten naast elkaar in de familiebank. Daar kwam, met de linkerhand zwaar leunende op den schouder van zijn dochter, en de rechter op zijn dikken stok, Baas Sypkes binnengestrompeld. Zeven en tachtig was hij nu, en 't ging wel moeielijk, maar Oudejaarsavond wou hij toch naar t kerkje. Al voortstrompelend, het hoofd omlaag en de oogen een weinig dicht knippend voor het schelle licht en de warmte, die bij het binnenkomen hem zoo plots omving, ging hij tusschen de menschenrijen door naar voren, want zijn plaats was in de eerste bank, omdat hij een beetje doof was; hij, de man die eens de sterkste reus van het dorp was, tegen wien niemand op kon, hij liet zich nu leiden, zacht en stil, door zijne dochter, die ook al niet jong meer was; liet zich leiden gelijk een hulpbehoevend menschenkind. Oud en afgeleefd was hij nu; het leven had hem zoo langzaam-aan ten einde gebracht en vriendelijker en berustender werd hij

Sluiten