Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steeds, een waardig oud-man, dankbaar voor die laatste, stille rustjaren, die het leven hem nog als toegift gaf.

Zijn plaats was naast Baas Hemkes, ook al een drieen-tachtiger, die met hem tot de oudsten van het dorp behoorde, samen konden zij een woordje praten en denken over den goeden, ouden tijd, toen ze beiden jong waren en alles nog zoo rustig, zoo heel anders was in Doorle; toen dat nare, donkere treingevaarte nog niet snorde door hun heideland en zijn zwarten, vuilen rook uitspuwde over hun dorp. Baas Hemkes begroette kalm zijn buurman. Hij zat daar heel rustig; het grijze hoofd licht knikkend heen en weer, de oogen half gesloten, de verweerde, gerimpelde handen gevouwen op de knieën. De ruste van den ouden dag was over hem gekomen, maar toch, alweer zoo n Oudejaarsavond en dan al dat jonge goed om je heen, waar zijn de jaren gebleven? Hij wist het niet.

De dag verjoeg den dag,

Het jaar sloot aan bij 't jaar;

Hun lange snoer is gewonden Door mijn dun en grijzend haar.

En o, mijn dagen, waar bleeft ge,

En wat is er met u geschied?

Hij had ze toch niet laten verglijden, hij had ze al werkende doorgebracht, zijn jaren, turf gegraven en zijn land omgeploegd, en met wagens vol turf gesjouwd, van Doorle naar Holden, en verder over de hei; dag-in, dag-uit was hij gravend en ploegend en sjouwend geweest, totdat hij niet meer kon torsen en een eigen huisje kreeg met een tuintje, waarin hij werkte voor zichzelf.

Sluiten