Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de storm, de onbarmhartige, was geen zeldzame gast in hun land en rustig hadden ze hem laten uitbruisen en bulderen, kalm hun werk verrichtend binnenshuis.

En nu was het vier uur in den middag en hij had uitgeraasd; de zon was gekomen en het was bedaard alom. Als een hoog, helderblauw hemeldak, vol teer-zachte, wit-sneeuwige wolkjes, breidde de lucht zich uit over de zonnige, zorgenvrije hei.

Nanny kwam de voordeur van Huize „Rust" uit. Ze had den dag grootendeels samen met haar piano doorgebracht, en nu het buiten zoo bedaard was, wilde ze nog een luchtje scheppen. Moeder kon niet meegaan, ze had een paar brieven te schrijven, die nog mee moesten met de post, en vader was voor een dag naar Rikmond; dus ging ze maar alleen een eindje om.

Moeder, boven op het balkon, riep haar toe: „Niet te lang wegblijven, Nans, want als de zon weg is wordt het weer koud!"

„Neen, ik ga maar een klein eindje om, ben gauw weer terug, maar even frissche lucht happen!" lachte ze en wuifde vroolijk goedendag.

Het was zoo heerlijk buiten, alles zag zoo frisch en stralend van lang-verwachte zonwarmte. De hooge, donkere dennen, die 's morgens door den razenden storm zoo geducht werden gezwiept en gebogen heen en weer, zwegen stil nu. Rustige, plechtige stilte, die volgt na den storm, heerschte in het rond. Nanny voelde zich genezen en gelukkig. Blij en licht liep ze voort, den heuvel af en

Sluiten