Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hadden kunnen vinden dat hen bevredigde, waren ze gesloten voor altijd; die prachtige, diep-diepe."

En zij boog zich heen over haar kind, dat stil en schoon als een belofte terneer lag en streelde het gezichtje, het donkere haar, en sprak het lieve, zachte woordjes toe; woordjes, die het nu niet meer hooren kon.

Het was een laatst, innig gefluister van de moeder tot haar kind.

„Mijn lieveling, heb ik je wel alles gegeven, je wel alles gegeven, wat je moeder je geven kon?"

Maar over het smal-bleeke gelaat met de gesloten lippen lag een stille, gelukzalige glimlach en het was haar als las ze er het antwoord op: „Ja, moedertje, mijn liefste vertrouwde waart gij, moeder mijn!"

Hoog stond de zon aan den blauwen hemel en bescheen het land, het dorp, het huis op den heuvel, dat stijf en stom daar stond met zijn dichte, witte ramen. En ondanks den zonnegloed, zag ook in Doorle alles zoo donker, zoo droef. Het was als hing een somber rouwfloers van het huis op den heuvel neer op het dorpje en ver in het rond.

Ze wilden, ze konden het niet gelooven de Dooriers, dat ze hun lieve juffer, „de kleine engel van het Huis," nu nooit meer zouden zien. In elke woning was rouw, maar in het huisje van Wes het allermeest. Vrouw Wes weeklaagde heel den dag en met iets van licht verwijt blikte ze naar Dineke, het onnoozel kind, de eenige die niets begreep

Sluiten