Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog nooit was het hem opgevallen, dat die heuvel zoo hoog was, dien hij zoo menigmaal met haar had opgeklommen, dien hij haar dikwijls had opgetrokken of opgeduwd, wanneer ze huiswaarts keerden van een verre wandeling en zij zoo moe was. Hij herinnerde zich de laatste maal, een Zondag, nu bijna drie weken geleden; toen hadden ze eerst even beneden gerust in het gras, wijl zij had gezegd, dat ze niet verder kon. En lachend had hij haar toen bij de hand gevat en meegetrokken, half gedragen naar boven, en ook zij had gelachen, en al lachend waren ze boven aangeland.

Wat was ze toen toch nog zwak!

Hij dacht aan hunne idealen van vroeger, toen ze kinderen waren; zijn luchtkasteel van een groot huis met tuinen, jacht en stallen, een kasteel waarin hij wou wonen met haar; de latere idealen van samen spelen op concerten, samen opgaan in de muziek.

Verwoest, naar den grond gegooid waren al die hooge luchtkasteelen nu en aan den muziekhemel zou haar ster, die wellicht eens alle andere zou hebben overschitterd door haar wonder-zachte, innige straling, nooit blinken.

„Het leven is zoo weinig mooi, wanneer je er niet wat in doordringt, Frits!" had ze hem eens gezegd in een ernstig oogenblik, en toen had hij zijn schouders opgehaald; helaas! van nu af aan zou hij zich wel verdiepen in dat leven.

Hij was den heuvel opgeklommen en naderde het huis, het droeve, doodsche huis. Met een ruk wierp hij het

Sluiten