Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Koningin vraagt thuis gekomen,

Yv'ie nu de schoonste vrouw wel is ? „Sneeuwwitj' is dood. Ik moet het wezen", Zoo denkt ze, maar ze heeft het mis. En bleek wordt zij van schrik en woede, Want 't wreede antwoord luidt alweer: „Sneeuwwitje is de allerschoonste,

Ze is nog schooner dan weleer."

Hoe zal ze toch een einde maken Aan 't leven van 't gehate kind?

Ze denkt en peinst, totdat ze eindlijk Een wreed, afschuwlijk middel vindt. Een mooien appel maakt z' in stilte, Die voor de helft vergiftig is;

Die zal ze 't meisje laten eten,

Dan moet ze sterven, dat is wis.

Ze kleedt zich als een appelvrouwtje, En klopt nu bij Sneeuwwitje aan.

„Niet noodig, vrouwtje!" roept het meisje, En wil weer aan den arbeid gaan.

„Niet noodig? Als ge niet wilt koopen, Kom dan eens even kijken toch.

Ik heb een prachtstuk van een appel, Een mooier zaagt ge nimmer nog! En heerlijk, lieve! Overheerlijk!"

Ze snijdt hem door en eet er van; De slechte helft geeft z' aan Sneeuwwitje, Die 't aanbod toch niet weigren kan.

Maar nauwlijks heeft z' er in gebeten, Of dood valt zij ter aarde neer. Zoo vinden haar bij hunne thuiskomst

Sluiten