Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONVERSCHILLIGE JAAP.

Jaap was nu zeventien jaar geworden. Toen hij twaalf jaar was, en van de lagere school af ging , had hij zijn vader gevraagd, of hij naar zee mocht gaan. Maar zijn vader, een knappe metselaarsbaas, wilde, dat zijn eenige zoon bij hem in de zaak zou komen. Jaap leerde dus alles van het metselaarsvak, maar hij kou er geen pleizier in krijgen.

Telkens weer beknorde zijn vader hem, omdat hij zijn werk zoo weinig goed deed. Maar het was of het Jaap niet schelen kon, hij zette dan altijd een even' onverschillig gezicht. De knechts gaven hem daarom den naam van: „Onverschillige Jaap."

Jaaps vader twijfelde er aan, of Jaap wel ooit een knappe metselaar kon worden. Eens op een dag was de vader zóó wanhopig over Jaap, dat hij hem een fikschen klap om de ooren gaf en zei, dat Jaap dan maar iets anders moest worden en dat hij gaan kon, waarheen hij wilde.

Jaap zette al weer een heel onverschillig gezicht en liep naar huis. Dicht bij huis begon hij ineens wonderlijk met zijn oogen te knippen, hij werd vuurrood en zoo hard hij kon, liep hij het huis voorbij en het bosch in.

Zijn zusje Truida, die in leeftijd op hem volgde, had hem gezien. Ze zette gauw haar hoed op en liep Jaap achterna.

Toen Jaap in het bosch was en hij dacht dat niemand hem kon zien, viel hij languit neer in het mos en schreide, of hem het hart zou breken. „Onverschillige Jaap, je kunt gaan, waarheen je wilt!" zong het maar in zijn ooren.

Daar op eens hoorde hij een stem vlak bij zich:

„Jaap, beste Jaap!"

Zijn zusje lag naast hem op den grond, streek hem liefkozend over de haren en trachtte hem te troosten.

E

Sluiten