Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Jaap, zeg me toch eens, wat er gebeurd is! Het zal je goeddoen."

„Vader wil niets meer met me te maken hebben! En hij heeft gelijk, ik doe de dingen niet goed, ik deug niet voor het vak. En altijd als ik bezig ben, moet ik aan andere dingen denken en dan doe ik mijn werk slecht."

„Je wou vroeger immers zoo graag zeeman worden?"

„Ja, dat zou ik nog wel willen, maar ik ben te oud, om nog met matroos te beginnen."

„Misschien wel niet, en misschien is er nog wat anders te bedenken."

„Ach, ik ben toch maar enkel „Onverschillige Jaap.""

„Maar waarom doe je dan ook dikwijls zoo onverschillig? Je bent het toch heelemaal niet!"

„Neen, ik ben het ook niet. Maar ik kan toch niet altijd zoo raar doen, als ik nu doe: een jongen, die gaat huilen, dat kan toch niet!"

Jaap moest lachen, ondanks zichzelven en Truida lachte mee.

„O," zei Truida, „dus je doet zoo onverschillig, omdat je niet wilt weten, datje er juist veel om geeft?"

„Ja, zoo is het wel," zei Jaap.

„Je moet eens met vader spreken, Jaap!" zei Truida overtuigend.

„Dat moest ik ook, maar het is gek, als ik hier met jou ben, dan kaïi ik wel praten, maar als ik vóór vader of vóór een ander sta, dan kan ik er niets uitbrengen."

„Je moet toch met vader spreken," zei Truida weer, en ga dan eens naar meester, je hebt altijd goed geleerd op school en je hebt altijd de avondlessen bijgehouden; meester zal wel met je willen spreken en die weet zeker wel raad."

Nog een poosje zaten broer en zuster samen in het mos te praten. Telkens weerklonk er een vroolijke lach.

Truida had zoo goed den slag Jaap wat op te vroolijken.

Eindelijk zei Truida: „Kom Jaap, nu moeten we naar huis, vader is zeker al thuis gekomen en we moeten gaan eten."

Met een zucht stond Jaap op en langzaam liepen ze naar huis.

Vader was er al en zag er heel ontstemd uit. Moeder keek bezorgd naar Jaap, toen hij binnenkwam.

Sluiten