Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Roodkapje.

In lang vervlogen tijden, was er een klein meisje, wiens geschiedenis ik hier wil vertellen. Zij was een allerliefst snoeperig ding. Zij had een rond, vriendelijk gezicht, en heldere blauwe oogen. Nooit keek zij kwaad, en had steeds een vriendelijke lach om haar mond, waardoor men haar fijne witte tandjes kon zien.

Eiken ochtend nadat haar moeder haar geroepen had en zij zich had aangekleed kwam zij lachende en zingende naar beneden en hoorde men den geheelen dag haar liefelijk stemmetje. Het gebeurde ook wel een enkele keer, dat zij verdrietig was, als iets niet naar haar zin was of als zij pijn had, maar spoedig was dit alweer over, en terwijl de traantjes haar nog in de oogen stonden, lachte zij alweer. Dat de ouders zulk een lief kind teer beminden, kunt gij zeker wel begrijpen, maar er was nog iemand en wel haar grootmoeder, die haar zeer lief had. Zij had van haar grootmoeder een lief kapje gekregen, van rood fluweel en daar was zij zoo zeer mee ingenomen, dat zij het altijd droeg en hierdoor was zij overal, bij de menschen in het dorp ook zelfs bij hare ouders algemeen bekend onder den naam van Roodkapje.

Haar vader was jager en zij woonden in een dorp, dat dichtbij een bosch stond en haar grootmoeders huisje stond midden in het bosch. Wanneer Roodkapje haar grootmoeder wilde bezoeken moest zij altijd het bosch door. De weg daarheen was echter niet moeielijk, daar hij steeds recht liep en er bijna

Sluiten