Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

altijd menschen en ruiters den weg passeerden, en er geen gevaar was dat zij zou verdwalen.^

Grootmoeder was ziek en daar Roodkapje s moeder het erg druk in het huishouden had, kon zij er zelf niet heen gaan om naar haar te informeeren. Zij had op zekeren dag wafels gebakken en zei de toen tot Roodkapje : „Kind ! ga gij eens naar Grootmoeder kijken, en misschien heeft het goede mensch wel trek in een paar wafels, en ook zal zij blijde zijn je weder eens te zien". De moeder deed eenige van de versclie wafelen in een hengselmandje en deed er ook een fieschje wijn voor de zieke vrouw bij. Roodkapje had zooals elk ander kind ook wel een gebrek heeft, en dit bestond hierin dat zij wel wat ongehoorzaam was en niet altijd deed wat moeder zeide en als zij dan knorren van moeder kreeg wist zij moeder spoedig weder tot bedaren te brengen en deze zeide: „Als zij maar grooter wordt, zal dit gebrek

wel verdwijnen". _ ...

Roodkapje deed nu haar kapje op en toen zij gereed stond om weg te gaan, zei moeder nog tot haar : „Dief kind, loop steeds rechtuit den grooten weg en houd je onderweg nergens op, opdat gij weder vroeg thuis komt". En reden had zij er wel voor, want in de omgeving hielden zich nog wel eens wolven op. Wel kwamen zij nooit op de groote wegen, daar zij bevreesd voor de jagers waren, maar reeds dikwijls hadden zij getracht menschen aan te vallen, die van den weg afgedwaald waren.

Roodkapje beloofde haar moeder, voorzichtig te zijn en haar raad goed op te volgen en ging toen het

Sluiten