Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenigszins van de schrik bekomen was, vroeg zij haar vader vergiffenis dat zij ongehoorzaam was geweest, en nu gingen zij samen naar huis, en toen de moeder alles hoorde, was zij hevig verschrikt en omhelsde en liefkoosde Roodkapje en ook de goede Tiras, wiens schuld het was dat de jager nog op tijd was gekomen, kreeg zijn deel van de liefkoozingen en nu beloofde Roodkapje onder tranen, dat zij nooit meer ongehoorzaam zou zijn.

De arme en de rijke.

Er was eens een tijd dat de lieve God nog zelf op de aarde onder de menschen rondwandelde. Op zekeren dag dat hij weder een wandeling deed overviel hem de nacht voor hij aan een herberg was aangeland. Er stonden aan den weg twee huizen over elkaar. Het eene was een deftig en fraai huis, dat aan een zeer rijke, het andere, zeer klein en onaanzienlijk, hetwelk aan een armen man behoorde. De Lieve Heer dacht: „Ik zal maar bij den rijke aankloppen, die valt het zeker niet zwaar mij te herbergen. Hij klopte aan en de rijke man opende het venster en vroeg aan den vreemdeling wat hij begeerde? De goede God antwoordde toen „Alleen een onderdak voor dezen nacht verlang ik van u".

De man nam de oogenschijnlijke zwerver (daar onze Heer armoedige kleederen droeg en er uitzag als een zeer arme man) van het hoofd tot de voeten op en terwijl hij bedenkelijk zijn hoofd schudde antwoordde hij : „Daar mijn kamers vol met koopwaren

Sluiten