Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl hij zoo liep te peinzen, kwam de gedachte in eens bij hem op, dat zijn vrouw het nu thuis zoo goed had, die zat lekker in de koele kamer en at wat zij wilde. Hierover ergerde hij zich zoo, dat hij plotseling uitriep : „Ik wenschte, dat zij in het zadel zat en er niet meer af kon, inplaats dat ik hier nu moet dragen". Nauwelijks had hij ook deze wensch geuit; of het zadel was van zijn rug verdwenen, en hij zag tot zijn schrik dat ook de tweede wensch vervuld was. Hij kreeg het nu zoo benauwd, en begon hard te loopen, om op zijn gemak in zijn kamer over den laatsten wensch te gaan nadenken. Hij kwam nu spoedig te huis, en toen hij in de kamer kwam, zag hij daar zijn vrouw midden in de kamer zitten op het zadel, waar zij niet af kon en jammerde en schreeuwde vreeselijk. Hij zeide nu : „Je moet je in het lot schikken, ik zal alle rijkdommen der wereld voor je wenschen, maar blijf daar zitten".

Zij antwoordde echter : „Je hebt me op het zadel gewenscht, nu moet je me er ook weder afwenschen, rijkdommen helpen mij niet". En of hij al tegenstribbelde, het hielp niets, hij moest zijn laatste wensch uitspreken, dat zij weder uit het zadel bevrijd moge worden, en deze wensch werd ook dadelijk vervuld. Toen zij weder op haar beenen stond, bevrijd uit het zadel, riep zij toornig met haar armen in de zijden : „Een ezelskop zijt gij, ik had heel wat anders gewenscht". Voor al zijn moeite had hij nu niets gekregen, dan verdriet, scheldwoorden en het verlies van zijn paard. De arme buren leefden echter verheugd en in braafheid tot aan hun einde.

Sluiten