Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kind, en gaven elk hun geschenk. De oudste sprak : „Een goed hart, zal ik haar geven, met een vriendelijk humeur, de tweede zei: „ik zal haar verstandig maken". „Van mij krijgt zij haar schoonheid" was de wensch van nommer drie. „De gave om elkeen te behagen" sprak de vierde en de vijfde zei: „Rijkdom en aanzien zal haar deel zijn". De zesde en jongste der feeën, boog zich over het kind heen. De kleine teere vingertjes hadden de hand der fee gegrepen en wilden deze niet loslaten. De fee lachte hierover en vergat daardoor haar geschenk aan te bieden.

Temidden der feestvreugde, werd plotseling de deur der zaal met een hevige ruk geopend, en kwam, er eed vrouw met een bleek en boosaardig gezicht en in een langen zwarten mantel gehuld, de zaal binnen. Dit was de zevende fee uit het koninkrijk. Zij was echter niet uitgenoodigd, daar zij een boos karakter had, en overal onheil stichtte waar zij kwam. Bij de geboorte der prinses was zij niet in het land en daarom had de koning gehoopt, dat zij niets van het feest zou gewaar worden. Het was haar echter toch ter oore gekomen, en ze was daarom zoo spoedig mogelijk terug gekomen, om het feest te doen mislukken, en de groote vreugde welke er heerschte in rouw te doen veranderen.

Terwijl de feeën hun zegewenschen uitspraken, had zij achter de deur gestaan, en was van meening dat allen reeds hun geschenk hadden aangeboden. Zij trad nu nader, boog zich over het kind heen, en keek met grijnzend en lachend gelaat naar de ontstelde feestgenooten.

Sluiten