Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toe, en vroegTtoen den?ouden man, wat dit voor een fabel was. De oude man wees hem hierop op de torenspitsen in de verte, welke nauwelijks tusschen de boomen zichtbaar waren.

„Edele Heer" sprak hij, „dat is geen verdichtsel, daar ginder in de verte kunt gij de torens van het slot zien. Geheel met doornhagen is het park ingesloten, zoodat niemand er doorheen kan dringen. De prinses met al wat zich in het slot bevindt slaapt. Zij was eens de lieveling van het gansche land en werd Doornroosje genoemd, daar zij als een roos tusschen de doornen bloeide. Mijn grootvader heeft mij dit verteld, toen ik nog heel klein was, en hij heeft haar ook gezien.

„Oude man, moet de prinses daar nu eeuwig slapen" vroeg hem de vreemdeling.

„Edele Heer" sprak de oude, „na honderd jaren moet deze betoovering van haar wijken, en een koningszoon zal haar dan verlossen. Velen hebben dit reeds gewaagd, maar niemand kon het gelukken .

De jonge vreemdeling stond nu op, en sprak: „Goede man, wilt gij mij den weg wijzen, de beurt is nu aan mij te trachten haar te verlossen".

„Probeer het toch niet" smeekte de grijsaard, „reeds zoovelen is het al mislukt en vonden daar hun roekeloosheid een jammerlijken dood".

„Ik wil het toch probeeren" sprak de jongeling, ik ben een koningszoon, van ver gekomen, een onweerstaanbare begeerte dreef mij naar dit dorp, alsof ik hier mijn geluk zou vinden. De honderd jaren moeten bijna verstreken ziin, dus laat ons gaan .

Sluiten