Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De oude man braclit nu den prins, tot bij den ingang der doornenhaag, die zoo hoog als een muur was. De prins trok zijn zwaard, om zich met geweld een doortocht te banen. Nauwelijks had hij echter de haag aangeraakt, of de dichtbegroeide takken bogen uiteen en lieten hem den doortocht vrij. Toen hij door het park ging zag hij de zwanen in den vijver slapen, de tuinman sliep bij de rozen. In de stal gekomen vond hij de slapende paarden en de koetsier tegen hen aangeleund. Bij de trappen van het kasteel lagen de pages slapende op de treden. Nu trad hij het paleis binnen en overal vond hij slapende menschen en dieren. De koning en koningin op hun zetels, in de eetzaal, de hofmeester met zijn bedienden, en de wachtzaal de raadsheeren, in het studeervertrek den slotkapelaau. Hij liep alle gangen en kamers door, doch nergens vond hij een spoor van de prinses. Hij vond wel een vertrek met witzijden gordijnen maar daar sliepen alleen haar kamervrouwen. Ten laatste kwam hij in den toren aan de westkant en vond / daar een deur welke hij openduwde, na nog een trap beklommen te hebben, stond hij voor een lage deur en bukkend ging hij binnen. Op de bank voor het spinnewiel vond hij de oude vrouw en voor het venster op de bank lag de prinses. Zij lag omringd door rozen als in een prieel en haar blond haar hing over de schouders. De prins bukte zich over haar heen en gaf haar een kus. Plotseling opende zij haar helderblauwe oogen, en lachte hem vroolijk toe en sprak tot hem : „Lieve prins, zijt gij daar eindelijk, wat heb ik lang op u gewacht". Hij reikte haar de hand ea

Sluiten