Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn paard, ik wil Falada berijden." Zij moest ook haar rijke kleederen uittrekken en haar mindere aandoen en moest ook ten slotte onder eede beloven, hiervan niets aan het hof te zeggen, daar zij bij weigering op die plaats zou worden omgebracht. Het paard had dit alles aangehoord en prentte zich alles goed in zijn geheugen.

Nu steeg de hofdame op Falada en de bruid op het minder fraaie paard en zij reden verder tot zij het koninklijk slot bereikten. Met groote vreugde werden zij verwelkomd en de prins denkend dat het zijn bruid was, hielp de hofdame van het paard en geleidde haar de staatsietrap op en het de ware prinses beneden staan. De oude koning had haar echter door het venster in den tuin zien staan en opgemerkt, hoe fijn en lief zij er uitzag. Hij ging naar het koninklijk vertrek en vroeg de valsche bruid, wie het was die beneden in den tuin stond.

„Ik heb haar onderweg meegenomen; geef het meisje eenig werk, opdat zij haar tijd niet verspilt .

De koning wist geen werk voor haar, en zei dat hij een kleine jongen Conraad had, die de ganzen hoedde en dat zij hem wel behulpzaam kon zijn. En nu moest de ware prinses de ganzen hoeden.

Een poosje later sprak de valsche bruid tot den prins : „Lieve prins, het paard waarop ik ben hier gekomen, heeft mij boos gemaakt, laat een vilder komen en het den kop afhouwen". Zij vreesde dat het paard zou spreken gaan. De ware prinses had ook van dit plan gehoord en beloofde den vilder een stuk goud, indien hij haar een dienst wilde bewijzen.

Sluiten