Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de visscher, een visch die spreken kan, heb ik toch niets aan". Hij gooide hem weder in zee. De bot zwom weder naar omlaag en liet een streep bloed achter zich De visscher keerde hierop weder naar zijn vrouw in de hut. „Hebt gij niets gevangen vandaag?" vroeg de vrouw. „Ik ving alleen een bot, die vertelde me dat hij een betooverde prins was en verzocht mij hem zijn vrijheid weder te geven" sprak de man.

„Gij hadt hem toch wel een wensch kunnen doen" vroeg de vrouw.

„Wat zou ik te wenschen hebben" sprak de man.

„Je had toch wel een grooter huisje kunnen wenschen het is toch treurig altijd in zulk een bedompte hut te wonen, het is hier niet frisch en veel te klein". Ga nog eens terug en roep hem en verzoek hem om een grooter huisje, hij zal het wel doen".

„Waarom zal ik er nu nog eens heengaan" zeide de man.

„Je hebt hem toch gevangen en weder de vrijheid gegeven. Hij voldoet zeker aan je verlangen, dus ga er maar dadelijk heen".

De man weifelde nog, maar wilde zijn vrouw ook niet boos maken en ging dus weder naar de zee.

Toen hij bij de zee kwam, was deze niet meer zoo helder, maar groenachtig geel. Hij stond een poosje te kijken en sprak toen tot zichzelf :

„Mannetje, mannetje Rompe Ree,

Botje, botje in de zee.

Mijn vrouw Isabil,

Wil niet zoo ik wil!"

Eensklaps kwam de bot aanzwemmen en vroeg :

Sluiten