Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij gingen ter ruste. De man die de geheelen dag geloopen had sliep weldra rustig in, doch de vrouw kon niet in slaap komen. De begeerte naar liooger macht dreef haar de slaap uit de oogen. Zij wentelde zich op haar prachtig legerstede gedurig om en peinsde steeds om iets te verzinnen wat zij nog wenschen kon. Zoo brak de morgen en zag zij de zon prachtig opgaan. Een gedachte vloog haar door het hoofd en zij sprak tot zich zelf : „Als ik nu de macht nog bezat om zon en maan te laten opgaan dan zou ik eerst gelukkig zijn". Met deze gedachten vervuld stootte zij haar man aan en riep : „Man ! ga naar de bot ik wil worden als God". De man nog slaapdronken verschrok hiervan en hoe hij tegenstribbelde het hielp niets hij moest weder gaan.

Buiten bulderde de storm, hij kon er bijna niet door komen en de zee was inktzwart, donder en bliksem waren niet van de lucht, de zwaarste boomen vielen geknakt ter aarde en met ontzetting riep hij uit: Mannetje, mannetje Rompe Ree Botje, botje, in de zee ,

Mijn vrouw Isabil Wil niet, zoo ik wil l"

nadat hij dit driemaal herhaald had, kwam de bot en riep woedend : „Wat moet zij dan" en de man riep huilend : „zij wil worden als God".

„Ga weg ! ga weg ! " riep de bot vertoornd uit, en de man liep' vol schrik weg en toen hij op de plaats kwam waar de kerk stond, was de oude ellendige hut daarvoor in plaats en zijn vrouw stond in haar armoedige plunje weder voor de deur.

Sluiten