Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tuinman zag dat, doch dorst niets te zeggen, daar hij dacht dat het een geest was. Zij ging nu heen en verborg zich in het struikgewas.

Den volgenden morgen wandelde de koning in den tuin, telde de peren aan den boom, en zag dat er een af was en vroeg hierop den tuinman waar deze peer was gebleven. Deze vertelde, dat er den vorigen nacht een geest was, zonder handen die met haar mond er een van af nam. Op de vraag hoe zij over het water was gekomen, zeide de tuinman dat een engel dien weg voor haar had gemaakt. De koning zeide dat hij den volgenden nacht er zelf over waken zou.

Toen het avond was, kwam de koning in den tuin, met een priester die de geest zou aanspreken. Zij gingen met hun drieën onder een boom zitten. Middernacht kwam het meisje uit het struikgewas, trad op den boom toe en at met haar mond er weder een af, terwijl de engel weder naast haar stond. De priester trad op haar toe en vroeg : „komt gij van de wereld of zijt gij van God?"

Zij antwoordde : „Ik ben geen geest, maar een mensch, door iedereen verlaten, behalve van God". De koning sprak nu : „Als gij door iedereen verlaten zijt, zal ik u niet verlaten. Hij nam haar mede, naar het paleis, en daar zij schoon en vroom was, kreeg hij haar lief en het haar een paar zilveren handen maken, en maakte haar tot zijn gemalin. De koning moest een jaar daarna ten oorlog trekken. Hij liet zijn jonge vrouw aan de zorg van zijn moeder over, en indien zij een erfgenaam ter wereld bracht, moest hem dit dadelijk gemeld worden. Zij schonk nu een

Sluiten