Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huis en toen de haan haar zag aankomen riep hij : „Kukeleku ! kukeleku !

De luie jonkvrouw is weder hier !

Toen de moeder haar dochter inplaats van met goud met pek overladen zag, begon zij luid te jammeren, en hoe zij haar waschte en schrobde het pek ging er niet weder af en zoo moest zij haar verder leven slijten.

Landloopersvolk.

Eens sprak het haantje tot het hoentje : „Daar het 'nu de tijd is, dat de noten rijp zijn, zullen wij samen eens de berg op gaan, en ons eens heerlijk verzadigen voor dat het eekhoorntje komt".

„Dat is goed" sprak het hoentje, „wij zullen den dag eens genoegelijk doorbrengen". Zij begaven zich nu samen bergopwaarts, en daar het zeer helder weder was, bleven zij tot de avond inviel. Of het nu was dat zij te veel gegeten hadden of eenigszins overmoedig waren geworden, in allen gevalle, zij wilden niet te voet terug gaan, en het haantje moest een klein wagentje van notendoppen in elkaar maken. Toen hij daarmede gereed was zeide Hoentje terwijl zij er in ging zitten tot het Haantje : „Gij moet u er nu altijd zelf voor spannen". „Dit zoudt gij wel willen" zeide het Haantje, „ik ga liever te voet naar huis, dan dat ik er mij voorspan; neen hoentje, zoo zijn wij niet getrouwd. Ik wil wel koetsier zijn

Sluiten