Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en op den bok zitten, doch trekken doe ik niet".

Terwijl zij nog druk aan het kibbelen waren, snaterde een eend op den weg hun toe : „Gij leelijk dievengespuis, wie heeft jullie verlof gegeven in mijn boomgaard te gaan?" dat zal je slecht bekomen" en ineens vloog ze met opengesperden snavel op het Haantje toe. Haantje was echter niet zoo mis, ging de eend geducht te lijf en ten laatste hakte hij met zijn spoor zoo geweldig op haar los, dat de eend om genade smeekte en zich nu voor straf gaarne voor den wagen liet spannen. Haantje ging op den bok zitten en was koetsier en plotseling ging het er in razende vaart vandoor. „I,oop wat je kan, Eend !" schreeuwde het Haantje, loen zij nu op die wijze een heel eind hadden afgelegd, ontmoetten zij twee voetgangers, een stopnaald en een naainaald. Deze riepen: „Halt ! Halt ! en vertelden dat het dadelijk pikdonker zou worden en daar het erg vuil op den weg was, vroegen zij of zij een eind mochten meerijden, zij hadden in de herberg gezeten en zich wat verlaat".

Haantje liet hen, daar zij niet veel plaats innamen instappen, onder belofte dat zij hun niet op de voeten zouden trappen. Zij kwamen 's avonds bij een herberg en daar zij 's nachts niet wilden reizen en de eend niet meer voort kon, gingen zij de herberg binnen. De waard had er eerst veel op tegen, daar zijn huis reeds vol was, doch nadat zij beloofd hadden hêt ei wat het hoentje onderweg had gelegd en die welke de eend zou leggen, hem te geven, mochten zij

Sluiten