Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den nacht daar doorbrengen. Zij lieten zich alles goed smaken en dronken zooveel zij konden. Des morgens vroeg, toen het nog schemerde en alles nog sliep, wekte Haantje het hoentje, haalde het ei, pikte het open en zij aten het samen op. De ledige schalen wierpen zij in den haard. Zij gingen nu naar de naainaald, die nog sliep pakte haar op en staken haar in het zitkussen van den waard, en de stopnaald in de handdoek en vlogen toen over de heide weg. De eend die hun zag wegvliegen, ging naar de beek en zwom weg. Een uur later stond de waard op, waschte zich en wilde zich afdrogen en stak zich zoo geweldig aan den stopnaald dat hij een bloedschram op zijn gezicht had. Hij ging de keuken in en wilde zijn pijp opsteken en toen hij bij den haard kwam sprongen hem de eierschalen in zijn oogen.

„Alles heeft het hedenmorgen op mij gemunt" sprak hij verdrietig en zette zich mistroostig op de stoel neder. Hij sprong kermend van pijn in de hoogte want de naainaald had hem op een zeer gevoelige plek gestoken. Hij werd nu zeer boos en begon zijn late gasten te verdenken en toen hij zich wilde overtuigen, zag hij tot zijn woede dat zij reeds verdwenen waren. Hij deed nu een eed dat hij nooit zulke landloopersvolk meer in zijn huis zou opnemen.

Sluiten