Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij had op iedereen iets te zeggen. Toen zij nog klein was, had de koning steeds om haar gelachen, hij vond het zoo prettig, dat zij over alles kon meepraten, en op alles wat wist te zeggen. Toen zij echter grooter werd en iedereen uitlachte, zoodat zelfs zijn vrienden uit het paleis wegbleven, toen was het geen pret meer voor hem. Zijn gemalin was vroeg gestorven, anders had de moeder de gebreken van haar kind misschien eerder ingezien en wel afgeleerd.

Toen zij den volwassen leeftijd bereikt had, en zij in schoonheid steeds was toegenomen, wilde de vader dat zij zou trouwen. Een aantal prinsen zelfs uit verre landen, die haar wel gaarne tot hun vrouw begeerden, maar zij lachte iedereen uit, en daardoor verlieten zij steeds vertoornd het koninklijk paleis. Zij vond den een te oud, den ander weder te jong, de een was haar te dik en weer een ander te dun, weer een ander te bleek en dan weder te rood, en op elk hunner had zij een spotnaam gemaakt. De koning moest steeds bij de afgewezen prinsen zijn verontschuldiging aanbieden, want hij wenschte om de trotsche kuren zijner dochter geen oorlog in het land te krijgen. Op zekeren dag kwam er weder een prins aan het hof. Het was de zoon des konings van het naburige land. De vader der prinses had deze jonge man gaarne tot schoonzoon gehad, daar hij dan in den koning een machtigen vriend en bondgenoot zou krijgen, want dit land was veel machtiger en grooter dan het zijne. De prins was ook een heel hef en be-

Sluiten