Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan het kleed dat zij aan had en een paar geldstukken voor op den weg.

Nu schreide de trotsche prinses. Zij moest met haar man door regen en wind langs de wegen loopen. Steeds had zij gereden, nooit geloopen, of het moest voor haar pleizier wezen. Zij had zich nooit kunnen denken toen zij in haar prachtig rijtuig zat, dat de arme menschen moe en hongerig konden wezen. Nu ze de vrouw van een bedelaar was, gevoelde zij dit eerst en schaamde zich.

Zij liepen steeds voort van het eene dorp naar het andere en een enkele keer mochten zij een eind in een boerenwagen meerijden. Zij sliepen 's nachts op wat hooi of stroo bij de boeren in de schuur. Zoo voortdolend kwamen zij in een land, waar de prinses nog nooit geweest was. Ze moesten een prachtig bosclx door, waar heerlijke paden waren om te wandelen. Vroeger had zij er nooit over gedacht, in het bosch rond te loopen, maar nu vond zij het heerlijk, na den langen harden weg dien zij hadden afgelegd. Op haar vraag van wien dit bosch was, antwoordde de bedelaar: „Dit behoort den koning, wiens land aan dat van je vader grenst. Deze koning is te oud om zelf langer te regeeren en zal het daarom aan den kroonprins overdragen". „Dat zal bepaald prins Lijsterbaard zijn, en indien ik niet zoo dom was geweest, had dit alles mij nu toebehoord" dacht zij in zich zelf. Zij sprak niets en zij gingen weder verder. Den volgenden dag zagen ze in de verte ëen heerlijk

Sluiten