Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mooi paleis liggen, omgeven door een heerlijk parkSneeuwwitte zwanen zwommen in de vijvers en overal groeiden de heerlijkste bloemen. „Aan wien behooit dit mooie paleis? vroeg zij aan haar man. „Dit paleis is van den kroonprins" zeide de bedelaar. „O ! zeker van prins Lijsterbaard?" spotte de prinses nog. „De prins heet zoo niet. Waarom noemt gij hem zoo? als iemand het mocht hooren, komen wij nog in de gevangenis" sprak de bedelaar. In stilte begon zij te schreien, en dacht : „Ik had daar kunnen wonen". Zij kwamen nu in een groote stad. „In deze stad woont nu de koning. De vader van Prins Lijsterbaard, zooals gij hem noemt" zeide de man. „Ik had hier vroolijk en gelukkig met miin man kunnen leven" dacht de prinses. „Wat ben ik toch slecht en dom geweest !"

Nu kwamen zij in een nauw straatje en bleven voor een armoedig huisje staan. „Hier is nu mijn huis sprak de bedelaar, „wij zullen hier gaan wonen". Ze traden nu het huisje binnen. „Maakt gij nu gauw het vuur aan en haal water" sprak hij, „ik heb nog eenig geld, en zal iets gaan halen, dan kunnen wij nog wat eten". Angstig vroeg de prinses hem: „Heb je geen bedienden of meiden, die mij wat kunnen helpen?" Lachend zeide de bedelaar : „Bedienden die moet gij bij ons bedelaars niet zoeken. Je moet nu alles maar alleen doen". De rijkopgevoede prinses kon natuurlijk geen eten koken, dus moest de man haar daaraan helpen. Hij bejegende haar niet on-

Sluiten