Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Geef mij een stukje van uw brood. Ik heb zulk een honger. Zij gaf hem alles wat zij nog had en sprak daarbij : „God zegene u" en ging verder. Nu ontmoette zij een kind dat vroeg : „Geef mij wat om mij te dekken, mijn hoofd is zoo koud". Ze nam haar muts en gaf dit aan gaf dit aan het kind. Zij ontmoette weder een kind dat om haar lijfje vroeg, dat zij ook gaf en even verder vroeg haar een om haar laatste kleedingstuk haar hemd. Daar het reeds donker was gaf zij ook dit. En toen zij daar stond zonder iets aan vielen er een aantal sterren uit de luchtten werden blanke rijksdaalders en hoewel ze haar hemd had weggegeven had ze direct een fijn linnen hemd aan. Zij raapte toen de rijksdaalders bijeen en was voor haar verdere levensdagen verzorgd.

De wijze Hans.

Er was eens een moeder en een zoon die Hans heette. Op den dag dat Hans wilde weggaan vroeg zijn moeder : „Hans waar gaat ge heen?" Hij antwoordde: „Naar Grietje". „Doe je boodschap goed, Hans". „Ja moeder, dag moeder" „Dag Hans".

Hans komt bij Grietje. „Dag Grietje". „Goedendag Hans, wat breng je voor nieuws". „Breng niets, geef me wat". Hans krijgt van Grietje een naald en zegt : „Dag Grietje" — „Dag Hans". Hans steekt de naald in een hooiwagen en rijd naar huis. „Waar zijt ge geweest" vroeg moeder. „Bij Grietje moeder".

Sluiten